30.01.2010

      terug naar info      
Tuinreglement VAT-Ede per 31 maart 2009

Definities
Tuin
Een tuin is een door VAT-Ede in gebruik gegeven genummerd perceel grond op een van haar complexen.

Tunnel
Een tunnel is een boogvormige constructie bestaande uit metalen of plastic buizen, afgedekt met doorzichtig plastic of golfplaat.
Tunnels hebben een hoogte tot maximaal 2 meter. Er wordt onderscheid gemaakt tussen lage tunnels
(maximale hoogte 80 cm ) en hoge tunnels ( 80 cm tot 2 m).

Kasje
Een kasje is een huisachtige constructie met rechte of enigzins schuine wanden en een schuin dak, bestaande uit een frame van
metaal, hout of kunstof, afgedekt met doorzichig plastic of glas.
Kastjes hebben een hoogte van maximaal 2,5 m.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen lage kastjes ( max. hoogte 80 cm ) en hoge kastjes ( hoogte 80 cm tot 2,5 m ).

Evenwichtsbemesting
Toevoer van mineralen in de vorm van mest, compost etc. is gelijk aan
de afvoer van mineralen door het van de tuin afgevoerde plantmateriaal.

Wisselteelt
De verschillende soorten gewassen ( kool/sla-uien-wortelen/aardappels/peulvruchten ) e.d.
worden in verschillede vakken verbouwd. Elk soort gewas schuift elk jaar een vak op.
Hierdoor wordt uitputting van de grond voorkomen en krijgen ziektes minder kans

Combinatieteelt
Het combineren van gewassen die elkaar goed verdragen, elkaar versterken
en/of beschermen tegen ziekten en plagen. ( voorbeeld: uien en wortels ).

Tijdelijke leimiddelen
Leimiddelen ( erwtengaas, bonenstokken ) bedoeld voor eenjarige gewassen
zoals peulvruchten, komkommers enz.

Permanente leimiddelen
Leimiddelen bestemd voor meerjarige planten, zoals rozen, druiven en bramen

Doel en uitgangspunten
Het complex en de tuinen van VAT-Ede zijn bedoeld om daarop ter ontspanning te tuinieren.
Het op de tuin uitoefenen van beroepsmatige handelingen en/of het aldaar verkopen van producten is niet toegestaan.
De zorg voor het complex is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de complexleden alsmede van het complexbestuur.



Tuinreglement VAT-Ede per 31 maart 2009

Tuinen
a.
      Ieder lid heeft de vrije beschikking over de aan hem verhuurde tuin ( grond ) en is vrij
      om de tuin naar eigen inzicht te betelen met in achtneming van de reglementen
      van de vereniging en het complex.
    b.
      Het totale oppervlakte van de in gebruik gegeven tuin(en) mag voor een lid
      ten hoogste 300 m² bedragen. Het complexbestuur kan onder nader te stellen
      voorwaarden deze oppervlakte doen overschrijden
      Indien het betreffende lid op een ander complex eveneens een tuin in gebruik heeft,
      behoeft deze overschrijding de goedkeuring van het verenigingsbestuur.
    c.
      De tuin moet te allen tijde in goede staat van onderhoud worden gehouden.
      De tuin dient vrij gehouden te worden van zaadverspreidend onkruid en/of wortelonkruiden.
      De tuin dient vrijgehouden te worden van rommel en vuilnis.
      Dit alles ter beoordeling van het complexbestuur.
    d.
      Tijdelijke leimiddelen dienen na de oogst, maar uiterlijk vóór 1 december verwijderd te zijn
      en netjes te worden opgeborgen. In overleg met het complexbestuur kan een uitzondering worden gemaakt
      voor bogen van betongaas.
    e.
      Permanente leimiddelen kunnen blijven staan, doch dienen een net uiterlijk te hebben.
    Artikel 2.
      Tuingrenzen
    a.
      Paaltjes met eventueel daartussen gespannen lijnen geven de grenzen aan van de afzonderlijke tuinen.
    b.
      Deze mogen uitsluitend worden verwijderd of verplaatst met toestemming van het complexbestuur.
    c.
      Andere tuinafscheidingen zijn verboden, tenzij met wederzijds goedvinden van de huurders
      van de aangrenzende tuinen en met toestemming van het complexbestuur.
    d.
      Indien hagen als afscheiding tussen de tuinen zijn toegestaan, mogen deze
      niet hoger zijn dan 60 cm en niet greder dan 40 cm.

Water, mest en gewasbescherming
      Er wordt op een zuinige, evenwichtige en milieubebuste manier omgegaan met het
      gebruik van water, mest en gewasbeschermingsmiddelen.
    Artikel 3.
      Water
    a.
      Er dient te allen tijde zuinig met water te worden omgespromgen.
    b.
      Water mag alleen gebruikt worden voor tuingerelateerde doeleinden.
    c.
      Bij voorkeur wordt regenwater opgevangen in (regen)tonnen.
    d.
      Bij voorkeur wordt er water gegeven direct bij de plant zelf.
    e.
      Tijdens het sproeien en water geven dient de tuinder op het complex aanwezig te zijn.
      Als er in droge periodes gesproeid moet worden kan dit beter éénmalig langdurig gebeuren
      dan vaker gedurende korte periodes, is het laatste geval blijft het water slechts aan de oppervlakte
      en verdampt snel. Een complexbestuur kan een besluit nemen dat de tuinder onder bepaalde voorwaarden
      tijdens het sproeien en water geven afwezig mag zijn.
    f.
      Slangen en sproeiers dienen degelijk aangesloten te zijn.
      Slangen dienen na gebruik van de kranen te worden verwijderd.
    Artikel 4.
      Compost en mest
    a.
      Er wordt gestreefd naar evenwichtsbemesting
    b.
      De tuin dient bij voorkeur eenmaal per jaar bemest te worden met organische mest of compost.
      Niet voor directe toepassing bestemde mest dient netjes afgedekt te worden met donker of zwart plastic.
    c.
      Eigen compost kan op de tuin gemaakt worden in compostvaten of op composthopen.
    d.
      Een composthoop mag met steunmaateriaal (bijv.(beton)gaas) omgeven zijn, maar dient
      in ieder geval een net uiterlijkte hebben, dit ter beoordeling van het complexbestuur.
    e.
      Een composthoop mag niet hoger zijn dan 1 meter
    f.
      Een composthoop mag de afrastering niet raken. Een composthoop mag alleen tegen de scheidslijn van
      twee tuinen geplaatst worden als de gebruikers van de twee tuinen het daarover eens zijn.
      In de overige gevallen moet de afstand tot een naburige tuin tenminste 50 cm bedragen.
    Artikel 5.
      Gewasbeschermingsmiddelen
    a.
      Indien wordt opgetreden bij ziekten en plagen wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van handmatige
      verwijdering of biologische gewasbeschermingsmiddelen.
      Bij chemische gewasbeschermingsmiddelen mogen leden uitsluitend gebruik maken
      van voor kleingebruik toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.
    b.
      Toepassing geschiedt zodanig dat er geen gewasbeschermingsmiddel op aangrenzende
      tuinen terechtkomt.
Bodem en gewas
    Artikel 6.
      Algemeen
    a.
      Er wordt gestreefd naar een zo gezond mogelijke bodem en gewas door middel van
      wisselteelt en combinatieteelt en een evenwichtige bemesting.
    b.
      Het is verboden beplanting te hebben staan die naar het oordeel van het complexbestuur
      hinder voor anderen veroorzaken en/of bij wet verboden zijn.
    c.
      Het is verboden gewassen te verbouwen waaruit en.of waarvan geestverruimende middelen
      kunnen worden gemaakt. Gewassen die producten voortbrengen waarvan alcohol kan worden gemaakt
      zijn toegestaan.
    Artikel 7.
      Aardappelen en tomaten
    a.
      Op maximaal 25% van de tuin mogen aardappelen worden geteeld.
    b.
      Aardappelen mogen niet vaker dan eenmaal in de vier jaar op een zelfde plek worden geteeld.
    c.
      Met het oog op het voorgaande is het complexbestuur bevoegd een aardappelteeltplan op te leggen.
    d.
      Een nieuwe tuinder dient bij de teelt van aardappelen rekening te houden met het aardappelteeltplan
      van voorgaande jaren.
    e.
      Na de oogst dient alle loof van het complex verwijderd te worden.
    f.
      Bij aantasting door de aardappelziekte (Phytophthora) dient het aangetaste loof direct van het complex
      te worden verwijderd, dit ter beoordeling van het complexbestuur.
    g.
      Tomatenloof dat door Phytophthora is aangetast, alsmede aangetaste vruchten, dienen direct van de plant
      gehaald te worden en in een plastic zak van het complex verwijderd te worden.
    h.
      Bij voorkeur dienen resistente of minder vatbare aardappelrassen te worden geteeld.
    i
      Wanneer er coloradokevers en/of larven worden gesignaleerd dienen deze verwijderd en gedood te worden en
      het complexbestuur op de hoogte gesteld te worden.
    j.
      Opschot van aardappelen dient te allen tijde terstond te worden verwijderd.
    Artikel 8
      Bonen
    a.
      Op maximaal 25% van de tuin mogen stokbonen worden geteeld.
    b.
      Bonen mogen niet vaker dan eenmaal in de twee jaar op een zelfde plaats worden geteeld.
    c.
      Met het oog op het voorgaande is het complexbestuur bevoegd om een bonenteeltplan op te leggen.
    d.
      een nieuwe tuinder dient bij de teelt van bonen rekening te houden met het bonenteelsplan van voorgaande jaren.
    e.
      De hoogte van de bonenstaken mag maximaal 2,50 meter boven het maaiveld zijn.
    f.
      Bonenstaken dienen minstens 50 cm van de grens van de tuin te staan.
    Artikel 9.
      Bomen en struiken
      Het is verboden om bomen en struiken op de tuin te hebben met een hoogte groter dan 4 meter en
      hoger dan de afstand van de stam tot de grens van de buurtuin.

Bouwwerken, gereedschapskisten e.d.
    Artikel 10.
      Gereedschapskisten.
    a.
      Een gereedschapskist mag een hoogte hebben van maximaal 80 cm boven het maaiveld.
      Hij mag maximaal 100 cm breed zijn en maximaal 300 cm lang.
    b.
      De kist moet (donker)bruin, houtkleur of groen van kleur zijn
      en afgedekt met bruin of zwart waterdicht materiaal.
    c.
      Een gereedschapskist mag alleen dan tegen de scheidslijn van twee tuinen geplaatst worden
      als de gebruikers van de twee betreffende tuinen het daarover eens zijn.
      In overige gevallen moet de afstand tot een naburige tuin tenminste 50 cm bedragen.
      Een gereedschapskist mag de complexafrastering niet raken.
    d.
      Een gereedschapskist dient in redelijke staat van onderhoud te zijn,
      dit ter beoordeling van het complexbestuur.
    Artikel 11.
      Broeibak
    a.
      De hoogte van een broeibak mag ten hoogste 60 cm boven het maaiveld zijn.
      De bovenkant van de bak dient hellend te zijn.
    b.
      De broeibakken van één tuin dienen dezelfde maat te hebben.
    c.
      In plaats van glas mogen ramen, mits netjes, met doorzichtig kunststof zijn bespannen,
      Dit ter beoordeling van het complexbestuur.
    d.
      Hout dient aan de buitenzijde (donker)bruin of groen van kleur te zijn;
      beton of steen hoeft niet te zijn geverft.
    e.
      Een broeibak mag alleen dan tegen de scheidslijn van twee tuinen geplaatst worden
      als de gebruikers van de twee betreffende tuinen het daarover eens zijn.
      In overige gevallen moet de afstand tot een naburige tuin tenminste 50 cm bedragen.
      Een broeibak mag de complexafrastering niet raken.
    f.
      Een broeibak dient in redelijke staat van onderhoud te verkeren en veilig opgesteld te zijn,
      dit ter beoordeling van het complexbestuur.
    g.
      Het oppervlak aan broeibak mag niet meer dan 10% van het tuinoppervlak bedragen.
    Artikel 12.
      Tunnels en kasjes
      Tunnels en kasjes kunnen demontabel zijn of niet demontabel.
    a.
      Niet demontabele hoge kasjes en tunnels zijn niet toegestaan.
      Per complex kan daarvoor een uitzondering gelden, indien het huurcontract zich daar niet tegen verzet en
      dit door de algemene vergadering is goedgekeurd.
    b.
      Lage (niet) demontabele tunnels en kasjes mogen alleen worden gebruikt als zij functioneel zijn,
      dat wil zeggen dat zij moeten dienen om bloemen of groente onder te telen of tegen de koude te beschermen.
      Ze dienen te worden afgebroken of verwijderd zodra de functie is beëindigd.
    c.
      Hoge demontabele tunnels of kasjes mogen worden gebruikt in het groeiseizoen van groenten of bloemen
      die gevoelig zijn voor vocht en koude.
      Zij mogen worden gebruikt vanaf 1 april.
      Ze dienen te worden afgebroken zodra de functie is beëindeigd en in ieder geval vóór 1 december.
    d.
      Na afbraak van tunnel of kasje dienen de onderdelen van de tuin te worden verwijderd of
      netjes te worden opgeborgen.
    e.
      Het totale grondoppervlak van tunnels plus kasjes mag niet meer bedragen dan 10% van het tuinoppervlak.
    f.
      Plastic of golfplaten dienen windvast en gedegen te zijn aangebracht.
      De voorkeur verdient plastic versterkt (met Draad); het moet neutraal van kleur zijn
      (doorzichtig of eventueel lichtgroen) zonder opsierende opdrukken.
      Gebroken en gescheurd materiaal dient te worden hersteld, dan wel verwijderd.
    Artikel 13.
      Andere Bouwsels
      Andere bouwsels dan genoemd in artikel 10, 11 en 12 zijn niet toegestaan.
    Artikel 13.A
      Op het complex Bovenhoek zijn niet-demontabele kasjes toegestaan onder de volgende voorwaarden.
    a.
      Zij mogen niet hoger zijn dan 1,80 meter
    b.
      De wanden hebben een afstand van minimaal 1 meter tot de grens van de tuin.
    c.
      Zij mogen niet worden gebruikt als opslagplaats of voor bewoning.
    d.
      Toestemming voor de plaatsing van een kasje moet schriftelijk bij het complexbestuur worden aangevraagd.
      Daarbij dient een tekening van het te bouwen kasje te worden gevoegd en dient te worden aangegeven
      welke materialen men wil gebruiken voor het fraim (hout, metaal, plastic) en voor de afdekking ( glas, plastic, kleur)
    e.
      Het kasje dient in nette staat te worden gehouden; dit geldt ook voor de afdekking met plastic of glas.
    f.
      Bij beëindiging van het huurcontract moet het kasje, zonder enige vergoeding van
      complex- of verenigingszijde, worden verwijderd.
      Het kasje mag blijven staan indien de nieuwe huurder daarmee heeft ingestemd.
      Deze instemming moet de nieuwe huurder schriftelijk kenbaar maken aan het complexbestuur op een formulier
      dat bij het complexbestuur verkrijgbaar is.

Gemeenschappelijke delen en ruimtes
      (paden, opslagruimtes, schuilhut, gemeenschappelijk gereedschap, afrastering)
    Artikel 14
      Paden en randen
    a.
      Het onderhouden en schoonhouden van paden, groenstroken en bermen geschiedt volgens
      aanwijzingen van het complexbestuur.
    Artikel 15.
      Gemeenschappelijke gebouwen, schuilhut e.d.
    a.
      Gemeenschappelijke gebouwen en schuilhutten dienen goed onderhouden te worden en een net uiterlijk te hebben.
    b.
      Extra regels betreffende gebouwen worden opgenomen in het complexreglement voor die complexen,
      waar dat van toepassing is
      Deze aanvullende regels mogen niet in strijd zijn met het Algemeen Verenigings Reglement of het Tuinreglement.
    Artikel 16.
      Gemeenschappelijk gereedschap, kruiwagens
    a.
      Gemeenschappelijk gereedschap wordt zorgvuldig gebruikt en dient na gebruik schoongemaakt
      en op de daarvoor bestemde plaats teruggezet.
    b.
      Kruiwagens dienen na gebruik te worden schoongemaakt en op de daarvoor bestemde plaatsen te worden teruggezet.
    Artikel 17.
      Hekwerken en hagen
    a.
      Hekwerken dienen in goede staat te verkeren.
      Beschadigingen dienen zo spoedig mogelijk te worden gemeld en gerepareerd.
    b.
      Het is verboden materialen te plaatsen tegen of te verbinden aan de afrastering van het complex.
    c.
      Hagen dienen gesnoeid te worden volgens aanwijzingen van het complexbestuur;
      dit geldt ook voor het snoeien van bomen en heesters die vallen onder de openbare groenvoorziening.

Algemene werkzaamheden
    Artikel 18.
      Algemene werkzaamheden
    a.
      Het complexbestuur is bevoegd algemene werkzaamheden te organiseren met het oog op het onderhoud
      en de (her)inrichting van het complex en de leden hiervoor op te roepen.
    b.
      Alle leden zijn verplicht deel te nemen aan algemene werkzaamheden ten behoeve van het complex.
    c.
      Het oproepen geschiedt inprincipe tenminste zeven dagen vóór de werkdatum.
    d.
      Ontheffing van het verrichten van algemene werkzaamheden kan op verzoek van de tuinder
      door het complexbestuur worden verleend.
    e.
      Indien een lid verhinderd is op een vastgestelde datum en tijdstip algemeen werk te verrichten,
      kan het complexbestuur het lid vervangende werkzaamheden opdragen.
    f.
      Het complexbestuur dient een rooster bij te houden om herhaaldelijk verzuim te registreren.
    g.
      Het complexbestuur kan een door het lid verschuldigde boete vaststellen voor elke keer dat het lid
      in gebreke blijft algemeen werk te verrichten.
      Hiertoe dient een geldig besluit over de hoogte van de boete bij in gebreke blijven
      door de complexvergadering te worden genomen.
    h.
      De vereniging is niet aansprakelijk voor enige schade, welke is ontstaan tijdens het algemene werk van het lid.

Milieu en omgeving (openbare ruimte)
    Artikel 19.
      milieu
    a.
      Het verbranden van vuil en/of ander materiaal is niet toegestaan,
      tenzij daarvoor een speciale ontheffing is verleend (door de gemeente).
      Er mag geen open vuur worden gestookt.
    b.
      Er mogen geen activiteiten worden verricht die
      enig risico voor de verontreiniging van bodem, water of lucht met zich meebrengen.
    c.
      Vernielingen en beschadigingen dienen aan het complexbestuur te worden gemeld.
    Artikel 20.
      Afval
    a.
      Er mogen geen materialen of tuin- en ander afval buiten de eigen tuin worden geplaatst of begraven,
      tenzij op plaatsen die door het complexbestuur hiertoe zijn aangewezen.
    b.
      Het is verboden materialen of tuin- en ander afval te storten of achter te laten buiten het complex.
Diversen
    Artikel 21.
      Dieren
    a.
      Het is niet toegestaan om vee, kleinvee, pluimvee, duiven of andere dieren op de tuin of op het complex te houden.
    b.
      Het houden van bijen is slechts toegestaan met toestemming van het complexbestuur.
    c.
      Het is verboden om loslopende honden of katten op het terrein te brengen of te houden.
    d.
      Uitwerpselen van huisdieren dienen onmiddlijk te worden opgeruimd.
    e.
      (Huis)dieren mogen geen overlast voor anderen veroorzaken.
    Artikel 22.
      Voertuigen
    a.
      Het is niet toegestaan om zonder toestemming van het complexbestuur paden te berijden met andere voertuigen
      dan met brommers, fietsen, fietsaanhangers en kruiwagens.
    b.
      Het is niet toegestaan motorvoertuigen te parkeren op andere dan de hiervoor bestemde plaatsen.

Complexbestuur
    Artikel 23.
      Complexbestuur
    a.
      Het complexbestuur is bevoegd de tuinen te betreden.
    b.
      Het complexbestuur is beboegd leden die zich niet aan het Tuinreglement houden,
      mondeling en schriftelijk te waarschuwen.
    c.
      Het complexbestuur is bevoegd, indien de goede orde of redelijkheid dat eist of
      indien iemand zich schuldig maakt aan overtredingen van het Tuinreglement,
      personen te gelasten zich van het complex te verwijderen.
    d.
      Wanneer het complexbestuur met goede redenen een afwijking van de regels toestaat,
      wordt dit schriftelijk vastgelegd waarbij de voorwaarden waaronder en
      de termijn waarvoor dit wordt toegestaan ook wordt vermeld.

Overtredingen
    Artikel 24.
      Overtredingen
    a.
      Bij overtredingen van enige verbodsbepaling en/of bij niet nakoming van enige verplichting
      wordt hiervoor door het complexbestuur mondeling of schriftelijk aan het betreffende lid mededeling gedaan.
    b.
      Het lid dient de door het complexbestuur gegeven aanwijzingen op te volgen, dan wel de aan hem
      in bepaalde gevallen opgelegde maatregelen binnen de door het complexbestuur gestelde termijn te nemen.
    c.
      Indien het betrokken lid herhaaldelijk de regels overtreed, dan wel de aan hem opgelegde maatregelen niet binnen
      de gestelde termijn heeft genomen, ontvangt het lid van het complexbestuur een schriftelijke waarschuwing.
      Het lid krijgt alsnog maximaal 14 dagen de tijd om de opgelegde maatregelen te nemen.
    d.
      Indien het lid in gebreke blijft, doet het complexbestuur per brief een voordracht tot
      opzegging of royement aan het bestuur.

Oplevering grond bij beëindiging huur en teruggave waarborgsom
    Artikel 25.
      Oplevering Grond.
    a.
      Bij beëindiging van het lidmaatschap of bij de opzegging van een tuin is het lid verplicht de tuin schoon op te leveren.
      De tuin dient te zijn ontdaan van wortelonkruiden (kweek en zevenblad) en bomen en struiken inclusief hun wortelstelsels.
      Het lid is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van eventueel noodzakelijke kapvergunningen.
      Voorts dienen alle opstallen, bouwwerken en overige eigendommen te worden afgevoerd.
      Dat wil zeggen dat alle opstallen (inclusief fundering), eigendommen, dode materialen en beplanting inclusief wortelstelsels
      verwijderd en afgevoerd dienen te worden van het complex.
      Daar waar nodig dient de grond met schone grond te worden aangevuld en dient de tuin te worden geegaliseerd.
    b.
      het complexbestuur kan in overleg met het lid bepalen welke beplanting kan blijven staan.
      Ook kunnen bepaalde zaken worden overgedragen aan de volgende huurder, dit in overleg met het complexbestuur.
    Artikel 26.
      Teruggave waarborgsom
    a.
      Wanneer het lid niet voldoet aan de in artikel 25 gestelde verplichtingen,
      dan kan de waarborgsom geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.

Toestemmingen
    Artikel 27.
      Toestemmingen
      Tenzij een andere periode is aangegeven geldt een toestemming vanwege het complexbestuur
      tot het einde van het lopende verenigingsjaar.

      terug naar info